‘De meeste mensen denken bij BHV aan hulpverlening aan werkende volwassenen. Mensen op kantoren, in fabrieken, in de bouw, in de haven of in zorginstellingen. Mensen die met gevaarlijke stoffen werken, onwel kunnen worden, soms van steigers vallen, of met een brand geconfronteerd worden. In principe zelfredzame mensen waarmee je - tenzij ze bewusteloos of in paniek zijn - goed kunt communiceren. Ze luisteren naar instructies, kunnen zelf het pand verlaten, aangeven wat er gebeurd is, en waar en hoeveel pijn ze hebben. Maar zelfs bij deze ‘ideale’ slachtoffers is bedrijfshulpverlening en het geven van EHBO hard werken, omdat je als hulpverlener altijd geconfronteerd wordt met spanning en tijdsdruk: er is een calamiteit gebeurd en je moet direct en goed handelen.
Met die spanning en tijdsdruk heb je ook te maken bij de twee andere groepen, kinderen en ouderen, maar daar spelen nog wat andere zaken mee die de hulpverlening extra gecompliceerd maken.’